Schaal van Mohs
Onder hardheid verstaat men bij mineralen en edelstenen de weerstand tegen krassen en tegen slijpen. Voor het determineren van edelstenen speelde vroeger de krasheid een grote rol toen de optische onderzoeksmethoden nog niet zo ver ontwikkeld waren. Tegenwoordig wordt het bepalen van de krasheid alleen nog maar uitgevoerd bij minder waardevolle stenen dan door verzamelaars. Voor een vakkundig onderzoek is deze methode te onnauwkeurig. Bovendien is het gevaar voor de beschadiging der edelstenen zeer groot. Het bijzonder voorbeeld van het werken met krasheid is dat men met eenvoudige middelen edelstenen ruwweg kan determineren. In de mineralogie wordt dit veel toegepast. Het onderzoek van de krasheid werd ingevoerd door de Weense mineraloog Friedrich Mohs (1773-1839). De krasheid is de weerstand die een mineraal uitoefent tegen krassen met een scherpe munt. Mohs koos 10 verschillende harde mineralen als vergelijkingsmateriaal en rangschikte deze in 10 hardheidgraden. Ieder mineraal van deze reeks wordt gekrast door het volgende maar niet door het voorafgaande. Even harde mineralen krassen elkaar niet. Door vergelijking met de hardheidsschaal van Mohs kan men de hardheid (dus Mohshardheid) van iedere edelsteen bepalen. Stenen met een hardheid van 1 en 2 gelden als zacht, van 3 tot en met 6 als middelhard en van meer dan 6 als hard. Bij mineralen met een hardheid van 8 tot 10 spreekt men van edelsteen hardheid.





